Het orgel in de
Kleine Kerk van Steenwijk
Geschiedenis van het orgel
Het Van Oeckelen-orgel dateert uit 1880 en heeft een paar voorgangers gehad. Mogelijk had de kerk reeds aan het einde van de zestiende eeuw een orgel. Als dat zo is, was het instrument in1656 in elk geval aan vervanging toe, want in dat jaar kreeg Antony Abbing Stuit opdracht een orgel met acht stemmen te bouwen, dat een jaar later in gebruik werd genomen. Verschillende orgelbouwers als Jan Harmens, Albertus Anthoni Hinsz en Carel Torenberg werkten aan het instrument.
In de loop van de negentiende eeuw raakte het orgel ernstig in verval. In 1864 was het onbespeelbaar geworden en schafte men een harmonium aan. Dat beviel echter niet en in 1878 kreeg orgelbouwer Petrus van Oeckelen en Zonen de opdracht een nieuw instrument te bouwen.
In hetzelfde jaar overleed Petrus van Oeckelen (1792-1878), die overigens in 1860 in de Grote Kerk van Steenwijk grootste instrument gebouwd. had. Na de dood van Petrus werd zijn bedrijf overgenomen door zijn Cornelis Aldegundis (1829-1905) en Antonius (1839-1918). Zij hebben uiteindelijk het instrument voor de Kleine Kerk gebouwd.
Peter van Dijk heeft in Het Orgel (jrg 100/4 - juli-augustus 2004,27-46) geschreven dat de klank van de orgel van Petrus van Oeckelen verwijst naar die van Groningse orgels uit de achttiende eeuw. Zijn zoons orgels bouwden instrumenten met meer achtvoetsregisters. Deze instrumenten werden hoger aangeslagen door iemand als Jan Godefroy, die van 1880 tot 1921 organist te Steenwijk was. Vergeleken met andere orgelmakers, zoals Maarschalkerweerd, waren de Van Oeckelens niettemin conservatief. Gedurende de eeuw dat het bedrijf bestond en waarin ongeveer honderd orgel gebouwd werden, is er dan ook een duidelijke eigen stijl te herkennen.
Als een zeer karakteristiek instrument voor een orgel van de zonen Van Oeckelen noemt Van Dijk het instrument in de Kleine Kerk van Steenwijk met zijn rijk palet aan grondregisters en een overblazende tweevoets fluit (Pikelo). Typerend voor de zonen van Petrus is ook dat hun frontontwerpen afweken van die hun vader bouwde. Het neogotische front in de Kleine Kerk is daarvan een markant voorbeeld. Bij de bouw van het orgel leverde de orgelbouwer overigens ook het portaal onder het orgel (d.i. de ingang aan de westzijde) in dezelfde neogotische stijl. Overigens is niet geheel vast te stellen of Van Oeckelen de kas en het portaal zelf vervaardigde. Waarschijnlijk was het werk uitbesteed aan een schrijnwerker. De gietijzeren spiltrap naar de orgelgalerij dateert uit hetzelfde jaar als het orgel en portaal: 1880.
Al dertien jaar later was een ingrijpende reparatie aan het orgel noodzakelijk. De oorzaak van het defect werd veroorzaakt door een lek in een gasleiding die men even tevoren dwars door het orgel had aangelegd. Tja, zo’n leiding moet toch ergens lopen..


In de twintigste eeuw hadden onder meer A. Standaard te Rotterdam, L. Verschueren te Heythuysen en P. van Dam te Leeuwarden en Fa. Flentrop te Zaandam het instrument in onderhoud. Het orgel werd nooit ingrijpend hersteld of gewijzigd.
Toen de vrijgemaakt-gereformeerden de kerk in 1993 kochten, verkeerde het orgel in deplorabele toestand. De uitvoering van een opgesteld restauratieplan werd in 2001 gestart door de firma Bakker & Timmenga te Leeuwarden en werd in 2002 voltooid. Aart van Beek trad bij deze restauratie als adviseur op.
Bij de restauratie is het instrument naar de oorspronkelijke aanleg geconserveerd. Alleen aan de beide windladen werd iets toegevoegd: door het grote gewicht van het pijpwerk dat erop staat, waren de laden doorgezakt. Bij de restauratie zijn de laden verstevigd met een dekplaat aan de onderzijde. Tevens werd een nieuwe windmachine geplaatst, die de oude uit 1955 verving.
Het pijpwerk werd hersteld, waarbij vooral de frontpijpen aandacht vroegen, omdat ze bijzonder smerig en vlekkerig waren door onder meer uitwerpselen van vleermuizen. Nadat de pijpen gereinigd waren, werden de labia opnieuw verguld.

Op de panelen aan de achterzijde en de rechterzijde van de orgelkas hebben organisten, orgelstemmers en anderen hun naam opgeschreven, vaak vergezeld van een datum. Op de foto hierboven staan de namen van Clara en Geertruida Godefroy (19 juli 1901), Het waren twee dochters van Jan Godefroy, die van 1880 tot 1921 organist was van de hervormde gemeente te Steenwijk. Foto: Jan Smelik
Literatuur:
Peter van Dijk, 'De betekenis van de orgelmakerij Van Oeckelen', Het Orgel 100/4 (2004) 27-46
Een sieraard voor de stad. De geschiedenis van de Kleine Kerk te Steenwijk. Uitgave: Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) Steenwijk & Werkgroep Restauratie Kleine Kerk, 2002.
J. ter Steege, 'Zij hielden de lofzang gaande". Over orgels, organisten en orgeltrappers van de Hervormde Gemeente in Steenwijk. Kampen 1992.
| Hoofdmanuaal (C-f3) |
Bovenmanuaal (C-f3)
|
Prestant 8’
|
Holfluid 8’ (gr. octaaf grenenhout)
|
Bourdon 16’ (tot c’ eikenhout)
|
Viola di Gamba 8’
|
| Holpijp 8’ (groot octaaf eikenhout) |
Violoncel 16’ disc.
|
| Spitsfluit 4’ |
Salicionaal 8’
|
Violon 16’ disc. (C-E grenenhout)
|
Quintadena 8’
|
Octaaf 4’
|
Fluit 4' |
Quint 3’
|
Pikelo 2' |
Octaaf 2’
|
|
Trompet 8’ (bas/discant: deling bij c/cis in het klein octaaf)
|
|
| |
|
Pedaal (C-d1): aangehangen
|
|
| |
|
| Koppeling [hoofdmanuaal - bovenmanuaal] - Windlosser |
|
Afsluiting bovenmanuaal - Afsluiting hoofdmanuaal
|
|
| Toonhoogte: a1 = 440 Hz |
|
Winddruk: 85 mm waterkolom
|
|
Dispositie
© Foto: Jan Smelik
© Foto: Jan Smelik
© Foto: Jan Smelik
Geluidsopnamen van het orgel (eigen opnamen)
'Poco allegretto' uit Sept pièces en ut majeur et ut mineur (L'organiste -Vol. I) - César Franck (1822-1890)
O dass ich tausend Zungen hätte (opus 135a nr. 19) - Max Reger (1873-1916)